7. veranderingen

  • Ik weet wat wat je moet doen bij plotten, schetsen of tekenen van een grafiek
  • Ik weet hoe je met je GR maxima, minima en snijpunten kunt uitrekenen.
  • Ik weet wat je bij je uitwerking moet schrijven als je gebruik maakt van je GR.
  • Ik kan de intervalnotatie gebruiken.
  • Ik ken de verschillende soorten stijgen en dalen van een grafiek.
  • Ik kan bij een grafiek met intervallen aangeven waar er bij de grafiek sprake is van toenemende stijging afnemende stijging, toenemende daling of afnemende daling.
  • Ik kan bij een grafiek de maxima en de minima vinden. Ik kan daarbij aangeven of het een absoluut maximum of minimum is of niet.
  • Ik weet dat het maximum of minimum een getal is. De grootste of kleinste functieaarde.
  • Ik kan bij een gegeven grafiek het toenamediagram tekenen.
  • Ik kan bij een gegeven toenamediagram en een gegeven punt van de grafiek de grafiek tekenen.
  • Ik kan bij een gegeven formule een toenamediagram tekenen. Ik gebruik de GR om een tabel te maken met de juiste stapgrootte. Vervolgens kan ik de toenamen berekenen en in een tabel zetten.
  • Ik weet wat het differentiequotient is op een interval en ik kan het differentiequotient op een interval berekenen.
  • Ik weet dat de begrippen 'gemiddelde verandering', 'differentiequotient' en 'richtingscoëfficiët' op hetzelfde neer komen.

Algemene aanwijzingen
  • Bij een gegeven toenamediagram de grafiek tekenen als je een punt weet kan handig met behulp van een tabel. Bedenk dat je soms moet terugrekenen.
  • De 'paaltjes' in een toenamediagram staan steeds aan de rechterkant van het interval. Bij een stapgrootte van 1 betekent een toename van 3 bij x=8 dat de functiewaarde op het interval [7,8] toegenomen is met 3.

Website

©2004-2021 W.v.Ravenstein